|
|


Restauraties |
Mijn eerste Cadillac In 1985 kocht ik mijn eerste Cadillac, een bruine Cadillac Sedan de Ville uit 1976 die volgens zeggen eens had toebehoord aan Freddie Heineken. In die tijd waren Cadillacs zeldzaam in Nederland. Hij was in zeer matige staat maar de prijs van 3700 gulden was niet hoog dus besloot ik hem te kopen. Delen van het plaatwerk waren sterk geroest maar het interieur was erg mooi. Er zat een barst in de voorruit. Het was een mooie uitbreiding op mijn Amerikanen-verzameling die toen bestond uit een 1976 Pontiac Grand Lemans, een 1976 Oldsmobile Ninety-Eight Regency en een 1974 Oldsmobile Toronado. Vanaf 1978 toen ik mijn eerste Amerikaan, een Buick Century Gran Sport uit 1974 kocht, heb ik nooit anders dan GM-Amerikanen gekocht en bereden. Andre Neet in Zevenhuizen De koop van de matige Sedan de Ville zou een grote invloed hebben op de rest van mijn leven aangezien ik toen snel in contact kwam met Andre Neet in Zevenhuizen. Andre was toen net zijn eigen Amerikanen-garage in Zevenhuizen (bij Gouda) begonnen. Via een advertentie in de Telegraaf waarin hij 3 Cadillac-motoren aanbood kwam ik bij hem terecht om een motorprobleem op te lossen. De motor van de Caddy tikte. Andre wist precies wat de oorzaak was en zou de klepstoters vernieuwen. De Sedan mankeerde nog veel meer. De voorwielophanging en stuurstangen vertoonden veel speling. Ik bestelde hiervoor onderdelen bij Kanter in Amerika die Andre er onder zou zetten. Ik bestelde ook direct in Amerika een werkplaatshandboek (work shop manual). In die tijd kwam ik 's avonds vaak kijken in de garage en zag ook hoe Andre Amerikanen repareerde. Dit was een mooie aanvulling op mijn theoretische kennis die ik tijdens mijn studie werktuigbouw in Delft had opgedaan. In de jaren 1980-1985 bezocht ik regelmatig Amerikanen-sloperijen waarvan er toen diverse waren zoals Luijben in Soest, Ad van Koeveringe in Bunnik, Goedkoop in Den Haag, Rock& Billy in Zestienhoven, Sloperij Acht bij Eindhoven en Arnts in Hoensbroek (die mijn ruit verving). Die sloperijen lagen toen vol met Amerikanen en het was toen altijd leuk om daar rond te kijken ook al had je niets nodig. Die tijden zijn helaas voorbij. Goedkoop is duurkoop Zo werden door Andre nog diverse andere reparaties aan de Cadillac uitgevoerd en voor de Caddy echt goed en betrouwbaar was in technisch opzicht had ik er in totaal al bijna 10.000 gulden aan uitgegeven! Voor dat geld had ik achteraf gezien wel een betere kunnen kopen. Hij reed erg goed hoewel de motor weinig fut had, waarschijnlijk omdat een cilinder niet goed was. In die tijd reed ik erg veel, gemiddeld 2000 km per week en kreeg veel onkostenvergoeding die mooi in het wagenpark gestopt kon worden. Helaas waren er toen nog geen zegeltjesacties bij de tankstations! In de jaren '85-'87 tankte ik jaarlijks meer dan 20 kubieke meters LPG. De Caddy had 2 gastanks van 70 liter en ik was maandenlang de beste klant van het Esso-tankstation in Best. Ik kwam met grote regelmaat bij Andre Neet en zo kreeg ik steeds meer technisch inzicht in Amerikaanse wagens. Ik ging ook zelf meer sleutelen aan Amerikanen. Mijn andere Amerikanen hadden ook redelijk wat onderhoud nodig omdat ik zo veel kilometers reed. In 1986 reed ik een record van 3500 km met deze Caddy in 1 week. Helaas ging een week later de motor kapot maar ik was blij dat het niet eerder gebeurt was in Italie, Zwitserland of Duitsland maar precies bij de afrit Zevenhuizen waar ik nog op eigen kracht pruttelend de garage van Andre kon halen. De carburateur was verbrand en er was veel aluminium in de motor terecht gekomen. Andre raadde met aan om een andere te zoeken en ik kocht een 1973 Fleetwood voor onderdelen waarvan de motor erg goed was en zo werd de motor vervangen. Mislukte restauratie Ik reed zo'n 60.000 km met de Sedan de Ville die wat plaatwerk betreft steeds slechter werd. In 1987 besloot ik hem te gaan restaureren. Een plaatwerker schatte in dat het minimaal 10.000 gulden zou gaan kosten om hem te ontroesten, platen in te lassen, strak maken, en over te spuiten. Een astronomisch bedrag vond ik dat ik er dus niet voor over had. Ik besloot om hem zelf te gaan opknappen. Ik had 2 weken zomervakantie en kon bij de gebroeders Sanders (Citroen DS specialisten) in Lieshout mijn Cadillac neerzetten en ging aan de slag. Ik kocht bij Bastings in Schimmert 2 nieuwe voorschermen, een plasma snijder om slechte stukken uit het plaatwerk te snijden en begon vol goede moed. Demonteren is niet moeilijk en stukken wegslijpen valt ook wel mee. Op een Belgische sloperij in Kasterlee heb ik met een beitel wat plaatwerk van een verbrande limousine losgemaakt om die in mijn Cadillac te zetten. Na een week begon duidelijk te worden dat het een serieuze klus zou worden. Alle felsranden waren slecht, overal waar sierstrippen zitten waren gaten geroest (een Cadillac heeft veel sierstrippen!), kortom ik vroeg me af…waar ben je aan begonnen. Ik kon toen helemaal niet lassen maar de gebroeders Sanders wilden mij daar wel bij helpen. Ik had nog deuren uit een sloop-Fleetwood die ik had gekocht en wilde die nog inkorten maar dat bleek niet eenvoudig (de voordeuren van een Fleetwood zijn iets langer dan van een Sedan de Ville). Na 2 weken besloot ik het project te staken en door te gaan naar de volgende ronde………volledige sloop. Ondanks dat ik in totaal al meer dan 18.000 gulden had uitgegeven aan de Caddy was het slopen een goede beslissing. Ik hield daardoor ongeveer 4000 gulden over aan onderdelen zodat de totale afschrijving 14.000 gulden zou bedragen, ongeveer een kwartje per gereden kilometer wat ik eigenlijk wel veel vond maar er was geen weg meer terug. De motor heb ik later in mijn 1975 Eldorado convertible gezet en de banken zijn 10 jaar later gekocht door leden van de Cadillac-club om ongebouwd te worden tot banken in de woonkamer. De overige onderdelen gingen in opslag onder het huis van mijn ouders waar er nu nog steeds veel van zijn overgebleven. Al met al was dit een mislukte poging om mijn eerste Cadillac te restaureren maar een ervaring rijker. Met het volledig demonteren heb ik wel veel geleerd. Ik kan het aanbevelen om een sloopwagen of donorwagen te kopen en hetzelfde te doen. Je hebt dan in ieder geval veel onderdelen. Restauratie van een Oldsmobile 98 De eerste geslaagde restauratie die ik uitvoerde was die van mijn 1976 Oldsmobile 98 Regency die lelijk begon te roesten. Het was geen zeer uitgebreide restauratie zoals ik later zou doen bij andere Cadillacs maar toch een serieuze en kostbare ingreep. Ik kocht bij Jambroes voor een flink bedrag 4 roestvrije deuren en fender skirts (platen op achterwielen). Later in 1989 kocht ik in Florida op mijn eerste reis naar Amerika roestvrije bumpers. Ik voerde de werkzaamheden uit in de garage van Andre Neet. Ik stripte de Olds en liet deze spuiten. Een paar jaar later liet ik de bodem stralen maar dat had ik beter eerder kunnen laten doen hoewel het vakkundig werd gedaan zonder nadelige gevolgen voor de lak en de elektrische installatie. Dat was al met al een kostbare zaak. Ik kocht deze Olds in 1984 voor 2500 gulden en daar kwam in de loop der jaren nog bijna 28.000 gulden bij zodat ik er ruim 30.000 gulden in had gestopt. Met de Olds heb ik veel gereden en veel ervaring opgedaan. Ik reed er zo'n 140.000 km mee voordat ik hem in 1995 voor ongeveer 7.500 gulden verkocht. Ik had toen een redenering voor mensen die dachten dat ik gek was om zoveel geld in een oude auto te steken. Men vond het normaal als je een nieuwe wagen kocht voor 30.000 gulden en dat die na 10 jaar maar 5.000 gulden waard zou zijn. Een afschrijving dus van 25.000 gulden maar in die tijd zou er natuurlijk ook onderhoud nodig zijn van zeker 10.000 gulden. In totaal zou zo'n "normale" wagen dus 35.000 gulden hebben gekost. Gemiddeld was die dan 5 jaar oud. Mijn Olds kostte in de ruim 10 jaar dat ik hem had in totaal zo'n 33.000 gulden. Dus een stuk minder dan een normale wagen die nieuw een hoge prijs had en na 10 jaar erg weinig geld waard was. In die tijd kocht je voor 30.000 gulden een redelijke wagen die natuurlijk niet zo comfortabel reed als de grote Olds. Natuurlijk kwam er in die tijd nog de wegenbelasting bij van ruim 5000 gulden per jaar (LPG-tarief), dus ruim 100 gulden per week wat regelrecht weggegooid geld was. Gelukkig zijn wagens ouder dan 25 jaar nu belastingvrij. |
Terug naar homepage |